Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AP4602

Datum uitspraak2004-06-24
Datum gepubliceerd2004-06-29
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/4863 AOR
Statusgepubliceerd


Indicatie

Schepeling op Nederlandse koopvaardijschepen. Aanvraag om toekenning van een uitkering ingevolge het Uitkeringsreglement Individuele Uitkeringen Stichting Het Gebaar. Niet voldaan aan voorwaarde van verblijf in Nederlands-Indië.


Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R 03/4863 AOR U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en het bestuur van de Stichting Het Gebaar, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Op bij beroepschrift, met bijlagen, uiteengezette gronden heeft appellant bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda van 22 september 2003, nummer 02/2280 BESLU, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 13 mei 2004. Aldaar is appellant, zoals vooraf werd bericht, niet verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J. Bootsma, advocaat te Den Haag. II. MOTIVERING Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten volstaat de Raad thans met vermelding van het volgende. Bij besluit van 2 augustus 2002, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 november 2002, heeft gedaagde afwijzend beslist op de aanvraag van appellant om toekenning van een uitkering ingevolge het Uitkeringsreglement Individuele Uitkeringen Stichting Het Gebaar (Stcrt. 20 november 2001, nr. 225, hierna te noemen: het Reglement). Daartoe is overwogen dat appellant niet voldoet aan de in artikel 2, eerste lid, in samenhang met artikel 3 van het Reglement gestelde voorwaarde, dat de aanvrager gedurende (een deel van) de periode van 8 maart 1942 tot 15 augustus 1945 in Nederlands-Indië heeft verbleven. In hoger beroep is door appellant, evenals in beroep bij de rechtbank, aangevoerd dat hij, in 1918 geboren in Nederlands-Indië en aldaar opgegroeid, weliswaar vanaf juli 1941 tot in 1948 als schepeling heeft gevaren op Nederlandse koopvaardijschepen, maar dat het niet redelijk is om hem deze omstandigheid tegen te werpen nu hij als zodanig ook getroffen is geweest door oorlogshandelingen. Zo werd hij in 1942 met zijn schip door een Duitse duikboot getorpedeerd en kon hij vanwege de bezetting van Nederlands-Indië niet naar huis terugkeren. De Raad ziet, evenals de rechtbank bij de aangevallen uitspraak, in deze grieven geen grond om het bestreden besluit aan te tasten. Naar de Raad al eerder, bij zijn uitspraak van 4 maart 2004, nr. 03/4046 AOR, heeft overwogen, zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de in het Reglement neergelegde doelgroepomschrijving in strijd is met hetgeen de regering bij haar besluitvorming over het rechtsherstel ten behoeve van de Indische Gemeenschap voor ogen stond dan wel anderszins de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten is gegaan. Het verblijf in Nederlands-Indië gedurende (een deel van) de Japanse bezetting geldt in dit verband als een van de kernpunten. Van gedaagde kan niet worden verlangd dat hieraan - ook niet met toepassing van de in artikel 4 van het Reglement vervatte anti-hardheidsbepaling - wordt voorbijgegaan. Dat appellant als schepeling eveneens heeft geleden onder de oorlogsomstandigheden, en vanwege die omstandigheden ook niet naar Nederlands-Indië kon terugkeren, maakt dit niet anders. Op grond van het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten. Beslist wordt derhalve als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr. G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van mr. C. Dierdorp als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2004. (get.) G.L.M.J. Stevens. (get.) C. Dierdorp.